Laverend tussen gereformeerde zelfkastijding, de harde feiten van de wetenschap en de auralezers probeer ik een eigen versie te vinden van de wereld. Een versie waarin ik me thuisvoel. Waarin alles leeft en liefde is maar zonder dat het te zweverig wordt. Waarin je met beide voeten op en beide handen in de grond kunt zitten terwijl je het heilige daarvan nooit uit het oog verliest. Ik vind het niet vreemd om te buigen naar een boom of te spreken met een kat. Ik vind het wel vrijwel onmogelijk om mijn leven in deze 21e-eeuwse maatschappij te verenigen met het respect voor de levende zielen die ik ervaar in alle dingen. Hoe kan ik vlees eten en in een auto stappen en tegelijkertijd begrijpen dat het leven van een tor net zoveel waard is als dat van mij? Hoe zorg ik dat ik niet zover afdwaal van het systeem dat ik in moeilijkheden kom maar wel ver genoeg om niet knettergek te worden?

Je wordt zo licht dat je door het dak naar buiten waait. Daar verlaat je je lichaam alsof je uit een schietstoel wordt gekiept maar dan vriendelijker. Je wordt lichter en licht. Onder je zie je de bomen die je uitzwaaien, de glans van het meertje. Je zet koers maar eigenlijk ben je niet meer iets dat koers kan zetten. De lucht heeft al voor je beslist.

Het stijgen kun je nog voelen. Je botten niet meer. Je glijdt door de lucht en er is niets daar waar je gedachten aan blijven kleven zodat ze eindelijk een keer op dezelfde snelheid bewegen als jij. Is hier een weerstand? Komt er even het idee van een log lichaam en verlies je snelheid? Denk aan de ruimte rond je lichaam en stuur je hoofd weer de onbegrensde mogelijkheden in.